Haarlem
De bewoningsgeschiedenis van Haarlem wordt voor een groot deel bepaald door de geologische ondergrond.De basis voor het landschap zoals wij dat nu kennen werd ongeveer 5000 jaar geleden gevormd.Toen volgde op een periode van een snelle zeespiegelstijging een fase waarin deze steeds langzamer verliep.Hierdoor ontstond voor de kust van het huidige Noord- en Zuid Holland een rij van lage zandbanken waardoor het achterland werd afgeschermd van de zee.Alleen via riviermondingen kon de zee haar invloed nog doen gelden. Door de aanvoer van zand van de zeebodem werden deze zandbanken steeds verder opgehoogd.In perioden waarin de opbouw van de strandwal stagneerde ontwikkelde zich een strandvlakte,tussen strandwal en zee .Een hierop volgende periode van verhoogde aanvoer van zand leidde tot de vorming van nieuwe nieuwe zandbanken op de overgang tussen zee en strandvlakte.Op deze manier verplaatste de kustlijn zich steeds meer naar het westen en ontstond er en afwisseling van hoger en lager gelegen zandstroken .De wind zorgde ervoor  dat op de zandbanken vanaf het strand aangevoerd zand  werd afgezet .De lage duinen die hier als gevolg van ontstonden worden tegenwoordig aangeduid als de Oude duinen. In de tussen de duinen gelegen lage strandvlaktes  kon ,als gevolg van van verzoeting van het milieu en een stagnerende waterafvoer ,veengroei optreden.Deze veengroei wordt aangeduid als Hollandveen.

Afwatering van deze uitgestrekte veengebieden vond plaats via een stelsel van veenrivieren ,waaronder de Liede en het Spaarne .Via deze rivieren ondervond het gebied ook invloed van de zee.Er was rond 1150 AD sprake van een overstroming waarbij in en rond Haarlem een kleipakket,de klei van Bakenes,over delen van het veen werd afgezet.De oudste bewoningssporen op de strandwal waarop Haarlem gelegen is dateren uit het Laat -Neolithicum.Ook uit de bronstijd zijn bewoningssporen bekend,evenals uit de Yzertijd en de Romeinse tijd.Deze opeenvolging van bewoning is echter niet continue en en van een gelijke aard .Zo is materiaal afkomstig van de Romeinen zelf in Haarlem met slechts enkele vondsten vertegenwoordigd.Wanneer de nederzetting die ten grondslag ligt aan het huidige Haarlem precies ontstaan is ,is niet bekend.

Haarlem komt rond 900-950 voor het eerst als nederzetting in het goederenregister van de St. Maartenskerk te Utrecht. Er is dan sprake van drie hoeven in 'Haralem'. Deze naam is afgeleid van het vroeg-middeleeuwse Harulahaima.De naam Haarlem betekent vermoedelijk huis op hoge, met bossen begroeide zandgrond. Waar deze bewoning geplaatst moet worden is niet bekend.In de eerste helft van de 11e eeuw wordt voor het eerst in de bronnen gesproken  van een kerk te Haarlem.Hiermee moet een houten of wellicht stenen voorganger van de 15e eeuwse St Bavo bedoeld worden .Vanaf het begin van de 12de eeuw hadden de graven van Holland  er een versterkte woning, van waaruit ze hun grondbezit lieten beheren. Uit historische bronnen  en archeologische opgravingen weten we dat dit hof van de graaf vanaf omstreeks 1250 tot en met het midden van de 14e eeuw gelegen was aan de Grote Markt.Na het afbranden van het hof in 1350 en het vertrek van de graaf uit Haarlem verrees hier het stadhuis

De geschiedenis van Haarlem gaat volgens andere bronnen terug tot de elfde eeuw. Toen ontstond aan het Spaarne een vroonhoeve. Deze groeide in de 12e eeuw uit tot een landsheerlijk grootlandbouwbedrijf. Dit was een versterkt complex. In de voorhof van dit complex groeide een nederzetting, die uiteindelijk de kiem werd van het nieuwe Haarlem. In 1245 verkreeg deze nederzetting stadsrechten. Het eerste bewijs voor de aanwezigheid van een stadsmuur dateert uit 1274

In die tijd was en werd Haarlem een belangrijk en welvarend industriecentrum.

De oorspronkelijke boerenbevolking had zich in de periode daarvoor meer op handel en bedrijf toegelegd. Dit kwam onder meer doordat Haarlem gunstig aan een oude noord-zuidverbinding over land was gelegen. Ook het Spaarne was een goede verbinding, maar dan over water.

Er waren brouwerijen, de lakennijverheid werd met grote toewijding uitgevoerd, de zeepziederij bracht goede produkten voort, de scheepsbouw en de blekerij waren in wijde omgeving bekend en van de diensten werden dankbaar gebruik gemaakt. Voorts was Haarlem een belangrijke marktplaats. Van heinde en verre werden produkten naar de diverse markten aangevoerd en werden daar verhandeld.

Rond 1428 werd de stad door de troepen van Jacoba van Beieren belaagd. Het feit, dat Haarlem de zijde van de Kabeljauwen tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten had gekozen was daarvan de oorzaak.

De stad was ook betrokken bij de opstand van het kaas- en broodvolk.

In juli 1572 sloot de stad zich bij de Geuzen aan, toen deze daar vaste voet aan wal kregen. De wraak van de Spanjaarden was niet mis. In 1573 moest de stad

zich overgeven aan de legers van Don Frederik van Toledo, die de bezetters uitmoordde en vervolgens de bevolking uitschudde.

Lange tijd bleef de stad een Spaanse enclave in een voor de rest door de Staten van Holland veroverd land. Dat waren vreselijke tijden voor de bevolking.

Door de pest en hongersnood ontstond een vrijwel onhoudbare toestand. Door het sluiten van het "Akkoord van Veere" (januari 1577) ging de druk wat van de ketel. In dit akkoord werd een aantal verdraagzaamheids afspraken vastgelegd, waardoor  twee godsdiensten (protestant en katholiek )naast elkaar zouden kunnen bestaan. In 1579 werd in de zogenaamde "Haarlemse Noon" dit verdrag geschonden en werd de uitoefening het katholieke geloof officieel verboden.

Het in 1559 gevestigde Bisdom Haarlem ging daarbij voorlopig verloren.

De 17e eeuw werd een bloeitijd voor de stad. De 18e eeuw gaf weer een verregaande periode van verval.

Pas tegen het eind van de 19e eeuw herleefde de welvaart. Dit kwam mede door de het herstel van het bisdom Haarlem. In 1853 werd Haarlem weer de zetel van een rooms-katholieke bisschop.

Het centrum van Haarlem wordt beheerst door een schitterende centraal plein, de Grote Markt.  Aan dit plein zijn enkele gebouwen van bijzondere historische waarde gevestigd. Het stadhuis, de Hoofdwacht,de St- Bavo, de Vishal en de Vleeshal bepalen grotendeels het karakter van de bebouwing.

De oudste delen van het stadhuis dateren uit de 14e eeuw en zijn zowel aan de buiten- als binnenzijde interessant.

De toren op de rechterhoek is in 1914 gebouwd naar het voorbeeld van de "Pandpoort" uit de 15e eeuw. De doorgang leidt naar "het Pand". Dat is een 15e eeuwse kloostergang.

De grote of St.-Bavokerk is herhaaldelijk gerestaureerd sinds 1876. Het is een laat-gothische kruisbasilica met in  het centrum een slanke kruistoren.

Veel van het meubilair dateert van voor de beeldenstorm.

Haarlem kent ook een groot aantal oude gevels, poortjes en hofjes.

De oudste kern van de stad ligt in een scherpe bocht van het Spaarne.

In de 14e eeuw breidde de stad meest uit in oostelijke richting. Later ook naar het zuiden.

Na het beleg in 1572/1573 en de grote brand in 1576 beleefde de stad een economische opbloei. Als gevolg daarvan vond er een uitbreiding plaats naar het noorden. Dat voltrok zich grotendeels in de 17e eeuw.

De groei in noordelijke en zuidelijke richting werd tenslotte het sterkst. Daardoor heeft de huidige plattegrond een wat langwerpige vorm, die evenwijdig met de kustlijn loopt. De uitbreiding naar het noorden was zo sterk, dat de gemeenten Schoten en een deel van Spaarndam moesten worden geannexeerd.

Later kwamen Santpoort en Schalkwijk aan bod.

De oude stadswallen zijn deels herschapen in plantsoenen.

De bospartijen van het beroemde Haarlemmerhout werden in 1827 opnieuw aangelegd door architect Zocher en ze zijn in 1959 weer hernieuwd.

Het belang van Haarlem werd niet in de minste plaats aangeduid door de benoeming als hoofdstad van de Provincie Noordholland.


 

 


.